Facebook: tijd om te evalueren

Het facebook-experiment (zie onder andere hier en hier), is halverwege. Studenten verrassen me in toenemende mate met de manier waarop ze de groep gebruiken. Toegeven, de harde kern in beide groepen is klein – maar deze studenten weten elkaar en mij tussen de bijeenkomsten veelvuldig te vinden met de kleine en de grote vragen die ze stellen.

Ik wil nu met beide – gehele – groepen een pas op de plaats maken. Doen we de goede dingen, en doen we de dingen goed? Dit vanuit het brede perspectief van de bs-begeleiding, met facebook als middel. Over dit twijfel ik nog wel een beetje, omdat de hele wereld er bij te halen is. Misschien toch nog een keer terug naar doelen?

Om de tijd tijdens de bijeenkomsten niet aan (‘weer’) praten over facebook te besteden, maak ik een (digitaal) vragenlijstje. Deze blog gebruik ik om een grof ontwerp van de vragenlijst te maken.

Hoofdonderwerpen zijn wat mij betreft

  • bs-begeleiding als geheel (verwachtingen vooraf en visie op functie, verwachtingen over eigen rol, verwachtingen over rol medestudenten, verwachtingen over rol docent, mening over huidige praktijk ten aanzien van eigen rol en inzet, rol en inzet medestudenten, rol en inzet docent);
  • facebook als middel in begeleiding (waarom participeer je wel/niet, mening over het middel in relatie tot geen middel/ e-mail/ blackboard – ervaren gebruiksvriendelijkheid en mogelijkheden);
  • interactie en feedback – wat zijn momenten waarop je iets geleerd hebt vanuit de bs-begeleiding, waarom en wat was dit dan?
  • ……..

Dromen

Werken met nieuwe en sociale media betekent naast durven experimenteren en evalueren wat mij betreft ook zo af en toe eens ongeneerd dromen over waar je in je ideale wereld beschikking over zou willen hebben als docent.

In mijn geval begint die ideale wereld bij een enkele inlog waarmee docenten en studenten in een omgeving komen waar ze toegang hebben tot alle middelen die bijdragen aan hun leren. Dit zie ik voor me als een visueel aantrekkelijk (en te personaliseren) platform waarin je het platte intranet terugvindt, met een simpele klik je mail kunt lezen, je rss-feeds voor je klaar staan, je bij informatie kunt die gaat over de onderwijsonderdelen die je volgt en materialen kunt downloaden, je kunt zien wat er gebeurd is in de communites waarin jij deel neemt en hieraan kunt bijdragen, kunt skypen met je medestudenten en je kunt volgen wat er (studie-gerelateerd) gebeurt op bijvoorbeeld You Tube, Facebook en Twitter.

Het is een platform dat leuk is om te bezoeken, omdat het naast over je studie ook over jou en je medestudenten gaat. Dit zie je omdat er mogeljkheid is om korte berichtjes uit te wisselen met diegenen waarmee jij in contact staat, zowel medestudenten als docenten. Er is altijd iets nieuws te zien, te beleven. Het leeft, en oja… had ik al gezegd dat het altijd werkt?

Mij als docent biedt het de mogelijkheid om te putten uit een diversiteit aan leermiddelen. Ik kan met een muisklik kiezen uit verschillende ingredienten om mijn onderwijs te ondersteunen, studenten (zich) hierop (laten) abonneren en wel zodanig dat ze alleen dat zien wat ook daadwerkelijk relevant voor ze is.

Qua functionaliteiten geeft mijn ideale leeromgeving toegang tot de volgende mogelijkheden:

  • het maken van communties rondom verschillende onderwerpen en wel op zo’n manier dat het voor studenten overzichtelijk blijft;
  • het plaatsen van mededelingen (als nu: intranet);
  • het plaatsen van documenten (leermiddelen), het bijhouden van een blog, het maken van een wiki, het starten van een forum (als nu: blackboard);
  • het samenwerken aan documenten, zowel in real time (bij voorkeur met video – als nu: google hang out) als onafhankelijk van tijd en plaats;
  • het kunnen maken van filmpjes (screencasting);
  • het samen kunnen werken aan een brainstorm;
  • het maken en afnemen van digitale (diagnostische) toetsen;
  • het kort en krachtig inhoudelijk communiceren over ontwikkelingen/ het stellen van vragen aan de community (als nu: twitter);
  • het kunnen creeren van een groep (community) met werkelijke gezichten en mogelijkheden tot het geven van feedback op elkaar en elkaars producten (als nu: facebook);
  • het samen kunnen creeren van nieuwe kennis, waarbij je zichtbaar voortbouwt op dat wat anderen bijdragen, en verbindingen maakt met dat wat al gezegd is (zoals nu: knowlegde forum).

Volgens mij een gat in de markt. ;-) Interessante vraag is in hoeverre het platform gebruikt kan maken van bestaande middelen en die integreert (doorlinken naar twitter/facebook/skype/google docs….) en in hoeverre het platform deze functionaliteiten na zal maken. Wie bouwt er met me mee?

Van een ‘centrist’ naar een ‘relational’ perspective

Als docent ik vind het prettig om mijn overtuigingen zo af en toe eens tegen die van anderen aan te houden, vooral wanneer zij lesgeven op een manier die me aanspreekt. Waarom doen zij wat ze doen? Welke overwegingen maken ze bij bepaalde keuzes, wat streven ze na? Het eerder genoemde artikel van Lee (2012), biedt een interessante ingang om dit te doen: hij analyseerde het handelen van dertien ‘knowlegde building teachers’ in vijf ‘problem spaces’ (curriculum/ standards, student capability, social interaction, classroom structures and constraints en technology). Lee duidt hun ontwikkeling op een continuüm van beginnend (centrist perspective) tot ervaren (relational perspective), en gebruikt hierbij op de problem spaces de invalshoeken

  • from surface to deep features of problems;
  • from routine to adaptive approaches en
  • from procedure-based tot principle based reflection.

In bovenstaande tabe (nog in te voegen!) zijn alle kenmerken van het ‘relational perspective’ op de problem spaces samengevoegd. In een later stadium ga ik ze gebruiken om mijn eigen gedrag te evalueren en te reflecteren op mijn overtuigingen in relatie tot het ‘Learning Lab’: een initiatief van mijn werkgever om onderwijsvernieuwing met behulp van ICT te faciliteren en monitoren.

Zes tips voor mijzelf als ‘the most effective online teacher’

Masterstudente @AstridSchat wees me een aantal weken geleden op een blog van Edudemic: “20+ Tips From the Most Effective Online Teachers”. Leuk stukje, met een combinatie van open deuren en zinvolle adviezen. Ik besloot de 22 tips terug te brengen tot de tips die me werkelijk aan het denken zetten. Het zijn er 6 geworden (eigenlijk 7, nummer 3 in mijn lijstje is een combi), en ik plaats ze hier, samen met mijn overwegingen en intenties om de tips een plek te geven in mijn ‘online teaching’.

  1. What students tell each other is just as important as what the professor teaches;

Diep van binnen heb ik best nog wat van wat Lee (2012) noemt het ‘centrist perspective‘ op leren (interessant artikel trouwens, blog volgt). Ofwel… studenten leren het meest wanneer ik het leren voor ze structureer, en het is belangrijk dat ze mijn visie op de te verwerven kennis/competenties horen. Dit terwijl ik me vanuit overtuiging wil ontwikkelen tot een docent die ‘knowlegde building‘ een belangrijke plaats in het leren geeft, en die studenten uitdaagt om met elkaar tot nieuwe kennis te komen. Meer opschuiven naar het bijbehorende ‘relational perspective‘ vraagt van mij om studenten meer ruimte te geven om met en van elkaar te leren, zodat we samen kunnen komen tot wat Lee noemt: deep interpretation of problem and processing of information, adaptive approach of classroom activities and student engagement and principle-based reflective action.

2.   Online should never mean easy, for teachers or students;

Deze tip is een twijfelgevalletje in de categorie open deur. Door ervaring op Knowlegde Forum, Blackboard en Facebook weet ik dat het belangrijk is om te communiceren wat ik van studenten verwacht met betrekking tot het online-gedeelte, en het leren en de begeleiding face-2-face. Voor mij ligt het voor de hand dat bij dit verwachtingspatroon actieve deelname hoort, van zowel mij als van studenten. Online werken, naast het leren in de klas, vraagt verwoorden wat je denkt en voelt, volgbaar willen zijn in je leren voor je medestudenten en de docent. Dit is wat anders dan alleen je lessen volgen, en kennis uit een boek leren. Toen ik deze tip las, vroeg ik me af of ik de verwachting van actieve deelname expliciet genoeg formuleer, helder heb wat dit concreet inhoudt, hoe ik het communiceren precies gedaan heb en wat ik een volgende keer kan doen om dit (nog) beter onder de aandacht te brengen.

3.   Giving thoughtful and regular feedback is essential & Understand that it’s not just a day job;

Als ik studenten betrek in online leren, vind ik dat ik er moet ‘zijn’. Inmiddels weet ik dat dat ‘zijn’ veel tijd kost, ook als je het leuk vindt om te doen. Twee belangrijke dilemma’s vind ik het vrijmaken van de benodigde tijd (1) en het zorgen (2) dat studenten ook naar elkaar toe hun rol pakken in reageren en feedback geven. Dit laatste (2) in de eerste plaats omdat ze er enorm van leren, maar in de tweede plaats ook omdat het mij ontlast. Op Facebook (zie eerder blog) ontstaat in de groepen momenteel het fenomeen dat studenten mij rechtstreeks om feedback vragen, en hiermee (impliciet) hun medestudenten buiten sluiten. Het puzzelt me waarom dit ontstaat: hebben studenten ook nog een paradigma-verschuiving van centrist naar relational te maken (zie tip nummer 1)? Of heb ik dit zelf gecreëerd door te zichtbaar te willen zijn (en als consequentie vaak de eerste te zijn die reageert)? Overwegingen voor vervolg (na overleg met studenten): ik reageer wanneer je minimaal twee inhoudelijke reacties van medestudenten hebt. En… als je wilt dat ik reageer, zorg dan dat je bijdrage op moment x geplaatst is .

4.   Establish patterns for students;

Hangt samen met het voorgaande punt, en gaat over expliciet maken wat je verwacht. Hoe meer ik erover nadenk, hoe zinvoller het voor alle partijen kan zijn om het reageren op elkaar te structureren. Wanneer studenten weten wanneer ze reactie van elkaar, en (vervolgens, zie 3) van mij kunnen verwachten, kunnen ze hier rekening mee houden in hun planning en organisatie. Het stimuleert mij als docent om tijd in mijn agenda te blokken, en te voorkomen dat het reageren een aantal dagen als een dreigende wolk boven mijn hoofd hangt. Ik ben wel van mening dat het goed is om ook buiten je vaste momenten af en toe een kijkje in de leeromgeving te nemen. Om korte reacties en complimenten te geven en om brandjes te blussen, wanneer nodig.

5.   Let students get to know you as a person;

Hier schreef ik ook eerder over. Volgens mij gaat dit me in principe goed af, ik laat mezelf (steeds meer) zien in de contacten met studenten. Door benaderbaar te zijn, hoop ik de drempel te verkleinen om de interactie ook online met me aan te gaan. Twijfelgeval is nog altijd de toegang tot mijn Facebook-profiel. Volledige toegang vind ik niet wenselijk, maar toevoegen als ‘restricted’ toch eigenlijk net weer te beperkt, studenten zien dan helemaal niets. Toch met lagen gaan werken en mijn eigen ‘posts’ afhankelijk van inhoud per groep vrijgeven…..? Vind ik lastig, het haalt de spontaniteit weg. En wat dan te doen met die ene oude liefde die net wat ongelukkig op jouw berichtje reageert?

6.   Ask for feedback;

In de planning met betrekking tot het facebook-experiment. Eenmaal half november, eenmaal aan het einde van de rit. Hierbij wil ik studenten onder andere vragen naar eigen inbreng en inzet, elkaars inbreng en inzet, mijn eigen inbreng en inzet, ervaren kwaliteit van feedback (wat kun je ermee?), meerwaarde tegenover eerder genoten begeleidingsvormen en ervaren gebruiksvriendelijkheid van het platform. Note to self: volgende keer ook een nulmeting doen, in ieder geval met betrekking tot verwachtingen eigen inzet en inzet docent (zie punt 3).

Verschil tussen actie- en ontwerpgericht onderzoek

Onze eerstejaars masterstudenten verdiepen zich momenteel in verschillende soorten praktijkonderzoek. Een mooi moment om mijn eigen kennis weer eens even op te frissen door de kern van en verschillen tussen twee belangrijke benaderingen actieonderzoek en ontwerpgericht onderzoek aan het scherm toe te vertrouwen, en de balans op te maken: zit er verschil in meerwaarde van deze benaderingen voor onze opleiding?

Actieonderzoek

Grondlegger van actieonderzoek is Kurt Lewin (1890 – 1947). In Ruijters & Simons (2012) wordt aangegeven dat de kern van zijn theorie over actieonderzoek is dat theorievorming in de praktijk plaatsvindt, en dat leren en onderzoeken twee zijden van dezelfde medaille zijn. “Door ervaringen en opvattingen in een specifieke situatie samen met betrokkenen in beeld te brengen, uit te wisselen en aan te scherpen, creëren onderzoekers en betrokkenen met elkaar een leerproces dat leidt tot inzichten voor onderzoekers en tot handelingsbekwaamheid van betrokkenen.”  Lewin’s onderzoeksaanpak helpt hiertoe te komen, kenmerkend zijn integratie van theorie en praktijk, het hier-en-nu principe en het werken met kleine groepen. Dit moet leiden tot zelfinzicht en bewustwording van eigen gedrag.

Onder meer Ponte (2007) vertaalde het gedachtegoed van Lewin in een aanpak voor het onderwijs. Zij definieert actieonderzoek als het geheel van activiteiten van docenten die:

  • met behulp van technieken en strategieën van sociaalwetenschappelijk onderzoek reflecteren op hun eigen handelen en de situatie waarin dat handelen plaatsvindt en
  • op basis van de zo verkregen inzichten hun handelen of de situatie waarin dat handelen plaatsvindt systematisch proberen te verbeteren.

Jacobs en Murray (2010) hechten veel waarde aan de actieve betrokkenheid van de stakeholders van het onderzoek: Action research assumes the active engagement of the stakeholders, such as the community, in the research, and a multiple-level process of reflection in order to evaluate and monitor the actions taken. This makes action research a suitable methodology to increase the critical understanding of the participants’. De betrokkenen in het onderzoek worden expliciet uitgenodigd te participeren. De onderzoeker en de betrokkenen brengen samen een verbetering in de praktijksituatie tot stand. Dit element heeft actieonderzoek gemeen met ontwerponderzoek, waarbij ook samenwerken en samen ontwikkelen van verbetering centraal staan (Bruine, Everaart e.a, 2011).

Ontwerpgericht onderzoek

Ontwerpgericht onderzoek is verwant met actieonderzoek omdat het ook om het verbeteren van praktijkproblemen gaat en de eigen professionalisering een centrale rol speelt. Bij ontwerpgericht onderzoek staat echter het genereren van overdraagbare theorie, van ontwerpprincipes voorop (Bruine, Everaart e.a, 2011). Waar actieonderzoek ook goed door een individuele onderzoekende leraar uitgevoerd worden, is ontwerpgericht onderzoek een meer collaboratief en participatief onderzoek waarbij onderzoekers heel gericht samenwerken met leraren (Wang & Hannafin, 2005).

Ontwerpgericht onderzoek onderscheidt zich van het traditionele sociaalwetenschappelijke onderzoek, omdat:

  • het onderzoek wordt gedreven door de wens om veldproblemen op te lossen en niet door zuivere kennisproblemen;
  • het onderzoek is dat werkt vanuit het perspectief van de speler, het perspectief van de professional die het veldprobleem moet oplossen; het gebruikt niet het perspectief van de belangeloze toeschouwer;
  • het onderzoek is oplossingsgericht, het beperkt zich niet tot het beschrijven en verklaren van veldproblemen, maar levert ook werkzame principeoplossingen (Van Aken & Andriessen, 2011).

Over de rol van de ontwerpgerichte onderzoekers zeggen Van Aken & Andriessen (2011) verder dat ze “engaged scholarship“ bedrijven. Zij hebben de ambitie om hun onderzoeksresultaten niet alleen te delen binnen de wetenschappelijke wereld, maar ook daarbuiten.

Geraadpleegde literatuur:

  • Aken, J. van & Andriessen, D. (2011) Handboek ontwerpgericht wetenschappelijk onderzoek. Den Haag: Boom Lemma uitgevers
  • Bruine, Everaart (2011) Bronnenboek onderzoeksstrategieën. Via http://www.leoz.nl/Portals/2/111109%20bronnenboek%20onderzoekstrategie%C3%ABn.pdf, geraadpleegd op 03 oktober 2012
  • Jacobs G. & Murray M. (2010) Developing critical understanding by teaching action research to undergraduate psychology students. Educational Action Research, 18 (3), 319-335
  • Ponte, P. (2007) Onderwijs van eigen makelij. Den Haag: Boom Lemma
  • Ruijters, M. & RJ Simons (red) (2012) Canon van het leren. Deventer: Kluwer
  • Wang, F., & Hannafin, M.J. (2005). Design-based research and technology-enhanced learning environments. Educational Technology Research & Development, 53(4), 5-23.

Tot slot, wat ik me afvraag: hoe passend is het voor onze masterstudenten om actie-onderzoek doen? In mijn ogen is het wenselijk dat zij in hun rol van onderzoekende innovatoren boven hun eigen context uitstijgen. Het gaat bij dat wat ze willen bereiken (een innovatie bewerkstelligen met onderzoek als middel om kennis te verzamelen ten einde de verandering uiteindelijk zo zinvol en duurzaam mogelijk te maken) om meer dan het reflecteren op en innoveren van ‘hun eigen handelen en de situatie waarin dat handelen plaatsvindt’, we moedigen ze aan om hun rol breed te pakken om tot een innovatie in het systeem (ecologische intelligentie?) te komen. Daarbij vind ik het ‘generen van overdraagbare theorie, van ontwerpprincipes’  in de ontwerpgerichte benadering een meerwaarde hebben die onze onderzoekende innovatoren bij voorkeur na zouden moeten streven – ze bewijzen hiermee hun waarde voor de kennisontwikkeling binnen de sociale wetenschap in het algemeen – iets wat bij het dragen van een mastertitel hoort wat mij betreft.

Voer voor overleg met collega’s. Interessant ook om de beoordelingscriteria van de thesis er nog eens bij te pakken: welke ruimte wordt hier wel en niet geboden?

Ondertussen op Facebook

Iets nieuws als ‘Flipping the Classroom’ is leuk (zie hieronder), maar over het lopende Facebook-experiment is uiteraard ook wel wat te melden. Om ze vast te houden hier puntsgewijs wat uitgezette acties, overwegingen en observaties:

  • de twee groepen zijn nu beiden ongeveer twee weken bezig, voor beiden groepen geldt dat alle deelnemers aan de groep min 1 zich aangemeld hebben op Facebook en toegevoegd zijn aan de groepen;
  • de groepen zijn wisselend actief. Tot mijn verrassing zijn deeltijdstudenten meer ‘aanwezig’ (met vragen stellen aan elkaar en aan mij als begeleider, plus bijvoorbeeld het geven van tips over tv-programma’s) dan voltijdstudenten. Deze laatste groep post vooral documenten waar ze feedback op willen en reageert nog beperkt op elkaar;
  • in de deeltijdgroep zijn er een aantal studenten die zich voor dit experiment aangemeld hebben bij Facebook, de voltijders hadden allemaal al een account;
  • in de twee bijeenkomsten die de afgelopen weken hebben plaatsgevonden, heb ik in beiden groepen bewust stil gestaan bij het gebruik van de groep, zowel vanuit het oogpunt ‘knoppen’ (snap je hoe het werkt?) als vanuit de meerwaarde voor het leren (‘wat wil en kun je hier halen’). Dit met scherm op digibord en concrete voorbeelden in de klas;
  • in beiden groepen heb ik benoemd wat ik graag zou willen zien op Facebook: (1) je mag alles plaatsen zolang je aangeeft of en waarop je reactie wilt van de groep (wat het doel is van je bijdrage); (2) je probeert actief te reageren op medestudenten – een compliment of een like kan ook een prima reactie zijn;
  • je kunt zien hoeveel groepsleden een bepaald bericht gezien hebben. In de voltijdgroep is dit na 2 tot 3 dagen meestal ‘everyone’, in de deeltijdgroep na hetzelfde verloop van tijd de helft van de groep;
  • wat mijn eigen rol betreft merk ik dat ik me afvraag wat mijn mate van ‘activiteit’ moet zijn. Ik merk dat ik studenten die plaatsen wil honoreren; wanneer er na een aantal dagen geen reactie is, ga ik reageren. Maak ik de groep hiermee minder actief, omdat uiteindelijk toch de feedback van ‘de juf’ wel komt?

Op naar de volgende twee weken. (En wellicht ook maar eens doelen formuleren…. wanneer is deze happening eigenlijk geslaagd?)

Beter laat dan….: flipping the classroom

De term had ik  al regelmatig voorbij zien komen, maar het vroeg om een luie maandagavond voor de tv om het kwartje werkelijk te laten landen. ‘Flipping the classroom‘ werd gepresenteerd als kans om het rendement van leren te vergroten, en recht te doen aan verschillende leervoorkeuren in de groep. De mogelijkheden van internet worden ingezet om bijvoorbeeld theorie te presenteren, zodat de tijd in de klas gebruikt kan worden voor samenwerking, verwerking en verdieping. Dat is nog eens activerende didactiek.

Mede door het enthousiasme van Jelmer Evers is mijn interesse gewekt. Hij wijst op de creatieve mogelijkheden die het beroep van docent biedt en (oh!) wat ben ik dat met hem eens.  Kansen te over om je onderwijs uitdagend te maken en het voor jezelf uitdagend te houden. Wat mijn eigen onderwijs betreft zie ik mogelijkheden tot flippen in zowel onze bachelor als onze masteropleiding. Waar ik benieuwd naar ben is…… hoe te beginnen?

In Nederland is er een wikispaces community onder de naam ‘Flip de Klas’. De website helpt de beginner op weg;  je vindt er een stappenplan en verwijzingen naar tools voor screencasting. Mijn eigen stappenplannetje zou er als volgt uit kunnen zien:

  • kiezen van een onderwijsonderdeel en onderwijsinhoud;
  • (afhankelijk van het onderdeel) kijken of ik collega’s in beweging kan krijgen om mee te doen;
  • een breed lesplan maken: wat flippen we, en wat willen we met studenten op de hogeschool doen?;
  • zoeken naar interessant, al bestaand digitaal materiaal voor de te flippen onderdelen;
  • vaststellen welk eigen materiaal we willen maken en uit welke al bestaande bronnen we daarvoor kunnen putten;
  • een script schrijven voor het filmpje/ de filmpjes (duur 5-10 minuten);
  • aan de slag met de verschillende mogelijkheden tot screencasting;
  • materiaal beschikbaar stellen voor studenten en…. aan het werk.

Het eerste deel van het laatste punt puzzelt me misschien nog wel het meest. Hoe en waar organiseer je de verschillende typen content en opdrachten op een overzichtelijke manier voor studenten?

Laat ik nog even weg blijven van de organisatorische vraagstukken, en eens gaan onderzoeken of ik zelf tot een instructiefilmpje kan komen. Het eerste dat bij me opkomt, is om een filmpje te maken over het maken van een lesvoorbereiding, een onderdeel in ons curriculum waar alle bachelorstudenten mee te maken krijgen. Mooie ingang om in ieder geval de techniek te leren kennen.

In de spiegel van Sudbury

Vandaag bezocht ik op uitnodiging van één van mijn studenten in beroepssituatie 4 (“organiseren en faciliteren van vormen van nieuw leren”) basis- en middelbare school ‘De Kampanje’ in Amersfoort. De student haalde me op van het station en in een grote bus hobbelden we over een bospad door de grootste plassen regenwater die ik in tijden zag.

De toegangsweg paste in bijzonderheid goed bij de school. Op de website  en via @De_Kampanje had ik al wat meer gelezen over het Sudbury Valley principe, het onderwijsconcept van de school. ’De Kampanje’  gaat ervan uit dat “iemands karakter en persoonlijkheid bepalend zijn voor succes in het leven. De schoolomgeving is erop gericht om ontwikkeling van vertrouwen, zelfstandigheid, creativiteit, volharding en verantwoordelijkheid mogelijk te maken.”

In de praktijk leidt dit tot een werkwijze die lijkt op die van Iederwijs : leerlingen op ‘De Kampanje’ bepalen zelf wat ze leren, wanneer ze leren en hoe ze leren. Sudbury Valley  onderscheidt zich van Iederwijs door uit te gaan van democratische principes in plaats van de voor Iederwijs leidende sociocratische principes. Dit betekent bijvoorbeeld dat ‘De Kampanje’ werkt met een ‘Juridisch Comité’ waarin leerlingen gedrag bespreken  dat het vertrouwen in en de veiligheid op de school verstoort. Het kan hierbij gaan om het gedrag van leerlingen én stafleden. Juist dit is volgens één van de stafleden die ik sprak   voorwaardelijk voor het leren van de leerling: het waarborgt de veiligheid en zorgt ervoor dat er regels gesteld worden die door alle betrokkenen gedragen worden.

Het onderwijs dat ‘De Kampanje’ biedt is niet onomstreden. De onderwijsinspectie heeft na een onderzoek geconcludeerd dat ‘De Kampanje’ geen school is in de zin van de leerplichtwet. Ouders die hun kinderen naar ‘De Kampanje’ laten gaan zijn strafbaar wegens het niet voldoen aan de eisen van deze wet. Tegelijkertijd is het volgende op de website van de school te vinden: “onze school heeft sinds begin augustus 2010 de experimenten status. Dit biedt de school de komende 10 jaar de mogelijkheid om van het Sudburyonderwijs ook in Nederland een volwaardige, toegankelijke en geaccepteerde vorm van onderwijs te maken“. Hoe deze twee ‘perspectieven zich tot elkaar verhouden, weet ik momenteel niet.

Goed, terug naar ons bezoek. De student, twee stafleden en ik bespraken  de mogelijkheden om bij ’De Kampanje’  aan de competenties van beroepssituaties 4 en 5 te werken. De gastvrijheid, het enthousiasme, de professionaliteit en de visie op leren en begeleiding van leren van de stafleden raakten me, samen met de motivatie van mijn student. De staf was duidelijk over de werkwijze van de komende weken, ze verwachten van onze student hetzelfde als van hun leerlingen: volledige zelfverantwoordelijkheid en stevige zelfreflectie. Daarbij werd heel helder op tafel gelegd dat ’De Kampanje’ zich niet aan past aan de wensen van de hogeschool: met elkaar kiezen voor een stage,  is met elkaar kiezen voor de werkwijze van Sudbury.

Terug in het busje bekende de student me het wel spannend te vinden. Welke meerwaarde zou zij kunnen hebben voor de leerlingen, hoe zou het zijn om niet vanuit autoriteit te sturen maar alleen maar te volgen, hoe zouden de leerlingen uberhaupt op haar reageren? Zouden er genoeg mogelijkheden zijn om haar compenties te ontwikkelen, bewijsmateriaal te verzamelen? Op mijn beurt vertelde ik het als begeleider ook spannend te vinden. Tijdens dit bezoek had ik al even in de spiegel van mijn eigen oordelen kunnen kijken en me gerealiseerd dat ik een mening heb over en duizend vragen bij kinderen die met 10 jaar nog niet kunnen lezen. Wanneer ik me daarnaast verplaats in de stafleden realiseer ik me dat het werkelijk volgen van kinderen (mensen) en hun interesse en motivatie niet iets is dat in mijn dagelijks repetoire zit. Soms weet ik namelijk véél beter wat goed is voor iemand dan die persoon zelf. Een schurende constatering, omdat ik vaak graag wat meer zou willen kunnen volgen.

Maar, uiteraard: waar een wil is - is een weg. Dit ‘volgen’ zal ik direct kunnen oefenen op deze student. Haar traject gaat anders zijn dan dat van anderen. Om te zorgen dat het ook in de formele lijn (lees: de lijn van de studiepunten) een succes wordt, is het belangrijk om betrokkenheid te creeen in ons team van collega’s. De student en ik hebben afgesproken  dit samen op te pakken. We zijn als Stoas Hogeschool  in ieder geval al van harte uitgenodigd door ‘De Kampanje’ om het leren zelf te komen ervaren.

Facebook en privacy

We zijn inmiddels een paar dagen verder en er is voorzichtige activiteit in de “group” te bespeuren. Een tweede begeleidingsgroep (beroepssituatie 2/3 – didactiek) heeft aangegeven met facebook te willen werken, ook voor hen heb ik een groep aangemaakt.

Verder ben ik wat dieper in het fenomeen ‘privacy’ gedoken. Dit na een gesprek met een student die vanwege prive-omstandigheden op geen enkele manier via internet te traceren wil zijn. Ook een fake-account (eventueel door mij aangemaakt) is voor deze student geen optie. De beweegredenen hierachter kan ik alleen maar respecteren, en het gesprek dat we voerden, maakt me bewuster van het feit dat  aanwezigheid op social media niet voor iedereen een vanzelfsprekendheid is. Dus toch de nieuwe mogelijkheden van Blackboard nog maar eens onderzoeken.

Mijn eigen privacy op facebook heb ik inmiddels ook wat beter in de hand. Dit door

  1. studenten zelf de “group” aan te laten maken en te vragen mij toe te voegen, ik hoef dan maar één keer “friend” te worden (je kunt uiteraard ook zelf de groep aanmaken, één student waarmee je “friend” bent toevoegen en vervolgens die student de andere studenten laten uitnodigen);
  2. te werken met “lists”. Aan elke “friend” die je toevoegt, kun je met “lists” (klikken op jouw knop “friends” bij die bepaalde persoon) een kenmerk dat de toegang tot jouw profiel bepaalt. Door te werken met het kenmerk “restricted” zorg je ervoor dat iemand jouw statusupdates en interactie met anderen niet ziet. Wel is het voor die persoon mogelijk om contact met je te leggen via berichten op je wall of in je privé-box.

Aansluitend bij bovenstaande wil ik het gesprek met een collega dat ik voerde aanhalen. Zij gaf aan dat er in de vorige organisatie waar zij werkte, gesproken is over de toegang die docenten studenten/leerlingen mogen geven tot hun facebook profiel. Conclusie van die gesprek was dat docenten sterk geadviseerd werd een privé-account voor hun eigen familie/vrienden aan te houden, en een school-account voor studenten/leerlingen. Ik begrijp de overwegingen, maar denk tegelijkertijd dat ik die beslissing heel goed zelf kan maken, en dat ik behoefte zou hebben (heb) aan het vertrouwen van mijn organisatie dat ik de juiste afwegingen maak in het omgaan met sociale media.

Facebook als begeleidingsinstrument

Na eerder twitter ingezet te hebben ter voorbereiding van toetsafname, wil ik dit semester de mogelijkheden van Facebook gebruiken om de begeleiding van studenten in beroepssituatie 4 (“organiseren en faciliteren van nieuwe vormen van leren”)  te versterken. Hiervoor gebruik ik een “group” waartoe vooralsnog alleen de (maximaal 9) studenten uit mijn begeleidingsgroep toegang hebben.

Vorige semesters gebruikte ik het discussieform van Blackboard. Een aardige plek om documenten te plaatsen en van feedback te voorzien, een minder geschikte plek voor interactie rondom competentie-ontwikkeling. Bij mezelf bemerkte ik dat het bekijken van het forum alles behalve “gewoonte” was, en dat hetzelfde voor studenten gold. Email was vaak een snellere en eenvoudigere manier van communiceren. Daarbij  was er op het forum vooral 1-op-1 interactie tussen mij en een individuele student, en veel minder tussen studenten onderling. Uiteraard heeft dit ook te maken met de gekozen werkwijze, echter… ik denk dat Blackboard an sich een minder toegangelijke medium voor onze studenten is, om over het”sociale” nog maar even niet te spreken.

Door facebook te gebruiken wil ik:

  • de afstand tussen studenten onderling verkleinen wat betreft het leren met en van elkaar;
  • studenten actiever betrekken bij elkaars vraagstukken en producten;
  • de begeleiding vanuit de hogeschool een meer doorlopend proces laten zijn. Vanaf de werkplek kunnen studenten makkelijk een vraag of dilemma posten, en hier ook van mij snel(ler) reactie op verwachten.

Ik zie hierbij voor mezelf vooral een rol als warmhouder (van de interactie) en feed up, feed back en feed forward gever. Studenten vraag ik om hun successen, zorgen en twijfels te delen, hun vragen te stellen, hun producten te delen en vooral ook op elkaar te reageren.

Het “waar” maken van deze wensen en rollen staat of valt natuurlijk met de bereidheid, verwachtingen en inzet van mijn studenten. Eén van mijn eerste vragen gaat dan ook zijn wat zij uit de “group” willen halen en wat dit in hun ogen van hen en mij vraagt. Dit om hun betrokkenheid te vergroten.

De pagina bestaat inmiddels, de eerste studenten hebben zich aangemeld. Positief vind ik de mogelijkheden om foto’s en documenten aan posts toe te voegen. Even wennen moet ik aan het feit dat studenten eerst vrienden met mij moeten worden voordat ik ze kan toevoegen. Hiermee krijgen zij buiten de “group” een kijkje in mijn persoonlijke leven. Wellicht dat dit maakt dat ik op termijn toch kies voor het splitsen van mijn ‘persoonlijkheden’ in een zakelijk en een privé-account.

Wat me tot slot tot nu toe verder opvalt is dat:

  1. een student aangaf het een goed idee te vinden om op facebook te werken, zolang de “group” maar niet te benaderen zou zijn voor bijvoorbeeld vrienden/ familie (“dat ik dan iets zeg, en dat echt iedereen daar op gaat reageren”);
  2. dat facebook niet voor alle studenten een vanzelfsprekendheid is. Sommige studenten gebruiken het liever niet vanuit privacy-overwegingen. Hier wil ik in gesprek met studenten de komende tijd meer over te weten komen. Om dergelijke studenten toch bij het proces te betrekken, adviseer ik ze een tijdelijk account onder een fakenaam aan te maken. Op deze manier kunnen ze toch meedoen, maar zijn ze voor het bredere facebook onzichtbaar. Hier dring ik mede op aan, omdat ik vind dat een docent-in-opleiding niet om de kansen en bedreigingen van sociale media heen kan. Het is immers onderdeel van de dagelijkse belevingswereld van hun toekomstige leerlingen.

Dit blog zal ik de komende tijd gebruiken om mijn ervaringen met en observaties tijdens dit experiment te delen.